A2L-koudemiddelen en de EN 378-norm: inzicht in de uitdagingen rond veiligheid en gasdetectie
Met de overgang naar koudemiddelen met een lager GWP worden A2L-koudemiddelen steeds vaker toegepast in airconditioning, warmtepompen en koelinstallaties. Ontdek hun specifieke eigenschappen, de rol van de EN 378-norm en het belang van aangepaste gasdetectie.
Waarom winnen A2L-koudemiddelen aan belang in de koeltechniek en HVAC-sector in Europa?
De overgang naar koudemiddelen met een lagere klimaatimpact verandert geleidelijk de koel-, airconditioning- en warmtepompinstallaties in Europa. In deze context spelen koudemiddelen met veiligheidsklasse A2L, waaronder R32 en R1234yf, een belangrijke rol.

Deze ontwikkeling hangt onder meer samen met de strengere Europese regelgeving voor gefluoreerde gassen. Tegelijk moet rekening worden gehouden met de specifieke veiligheidskenmerken van deze nieuwe koudemiddelen. Waar nodig moeten het ontwerp van installaties, de ventilatie, de lekbewaking en de alarmsystemen daarop worden afgestemd.
Voor HVAC-installateurs, studiebureaus, exploitanten en onderhoudsverantwoordelijken zijn twee referenties bijzonder belangrijk: de Europese F-gassenverordening (EU) 2024/573 en de norm EN 378 betreffende de veiligheid van koelsystemen en warmtepompen.
Kort uitgelegd: wat is een A2L-koudemiddel?
De aanduiding A2L verwijst naar een veiligheidsklasse van koudemiddelen. Deze combineert twee criteria: toxiciteit en ontvlambaarheid.
Binnen deze classificatie geldt:
- A staat voor de laagste toxiciteitsklasse;
- 2L duidt op koudemiddelen met een beperkte ontvlambaarheid in vergelijking met koudemiddelen uit hogere ontvlambaarheidsklassen.
Met andere woorden: een A2L-koudemiddel is niet onontvlambaar. Bij het gebruik ervan moet dus rekening worden gehouden met de risico’s van lekkage en mogelijke ophoping van het koudemiddel.
De internationale norm ISO 817:2024 legt het systeem vast voor de aanduiding en veiligheidsclassificatie van koudemiddelen op basis van gegevens over toxiciteit en ontvlambaarheid. De veiligheidsclassificatie van koudemiddelen mag dan ook niet worden verward met hun milieuprestaties.

Belangrijk om te onthouden: A2L is een veiligheidsclassificatie en geen milieulabel. De GWP (Global Warming Potential, of aardopwarmingsvermogen) is een andere indicator.
R32 en R1234yf: voorbeelden van A2L-koudemiddelen
R32 en R1234yf behoren tot de A2L-koudemiddelen die vaak worden genoemd in het kader van de huidige transitie. Hun indeling in klasse 2L is onder meer opgenomen in de referentiewerken van ASHRAE over de classificatie van koudemiddelen.
Ze illustreren de ontwikkeling van de markt: een lagere klimaatimpact van apparatuur betekent niet noodzakelijk minder risico’s bij het gebruik ervan. Daarom moeten de eigenschappen van het gebruikte koudemiddel altijd worden meegenomen in het ontwerp en de exploitatie van het systeem.
A2L-koudemiddelen zijn bovendien slechts één van de mogelijke oplossingen. De technologische transitie omvat ook natuurlijke koudemiddelen, zoals CO₂ (R744), propaan (R290) en ammoniak (R717). De keuze van een koudemiddel hangt dus af van de toepassing, de gewenste prestaties en de veiligheidseisen van de installatie. De Europese Commissie noemt zelf onder meer CO₂, ammoniak, koolwaterstoffen, lucht en water als alternatieven met een lagere klimaatimpact voor verschillende soorten apparatuur.
Waarom worden koudemiddelen met een lager GWP steeds belangrijker in Europa?
De Verordening (EU) 2024/573 betreffende gefluoreerde broeikasgassen, aangenomen op 7 februari 2024 en van toepassing sinds 11 maart 2024, heeft het Europese beleid ter vermindering van gefluoreerde gassen met een hoge klimaatimpact aangescherpt.
De belangrijkste maatregelen van de verordening omvatten onder meer:
- een snellere vermindering van de hoeveelheden HFK’s die op de Europese markt mogen worden gebracht;
- nieuwe beperkingen voor bepaalde soorten apparatuur en bepaalde GWP-waarden;
- strengere maatregelen om emissies en lekkages te voorkomen;
- een geleidelijke afbouw van het HFK-quotasysteem tegen 2050.
De termijnen en grenswaarden verschillen naargelang de apparatuurcategorie (onder meer koelinstallaties, chillers, airconditioning en warmtepompen). Daarom is het essentieel om voor elk project de toepasselijke bepalingen te bekijken, in plaats van uit te gaan van één datum of grenswaarde voor de hele markt.
Deze evolutie in de regelgeving versnelt de zoektocht naar oplossingen die geschikt zijn voor koudemiddelen met een lager GWP. Ze verklaart waarom professionals in de koel- en HVAC-sector vandaag zowel milieuprestaties als veiligheid moeten meenemen.
Deze transitie heeft onder meer betrekking op airconditioningsystemen en warmtepompen. DALEMANS wijdde ook een artikel aan de impact van koudemiddelen in warmtepompen voor wie zich verder in dit onderwerp wil verdiepen.

Welke rol speelt de norm EN 378?
De Europese normenreeks EN 378 (Koelsystemen en warmtepompen – Veiligheids- en milieueisen) vormt een belangrijke technische referentie voor het beheersen van risico’s bij koelsystemen en koudemiddelen.
De reeks omvat vier belangrijke onderdelen:
EN 378-1: basiseisen, definities, classificatie en selectiecriteria. Dit deel speelt onder meer een rol bij het bepalen van de geschikte installatievoorwaarden en koudemiddelvullingen.
EN 378-2: ontwerp, constructie, beproeving, markering en documentatie van systemen.
EN 378-3: eisen voor de installatieplaats en de bescherming van personen.
EN 378-4: bediening, onderhoud, reparatie en terugwinning van koudemiddelen.
De in 2020 gepubliceerde wijziging van EN 378-3 omvat onder meer aanpassingen voor koudemiddelen van klasse 2L. Dit bevestigt het groeiende belang van deze koudemiddelen voor de veiligheid van koelinstallaties.
Normen worden regelmatig aangepast. Bij het ontwerp van een project moeten daarom altijd de toepasselijke editie en eventuele aanvullende eisen worden gecontroleerd.
A2L-koudemiddelen: waarom moet rekening worden gehouden met lekdetectie?
Bij een koudemiddel dat in zekere mate ontvlambaar is, kan vroegtijdige lekdetectie een van de maatregelen zijn om risico’s te beperken.
Afhankelijk van de opbouw van de installatie en de toepasselijke eisen kan de veiligheidsstrategie verschillende maatregelen combineren: beperking van de hoeveelheid koudemiddel, ventilatie, detectie, alarmen, automatische aansturingen en maatregelen om mogelijke ontstekingsbronnen te beperken.
Ook productnormen kunnen EN 378 aanvullen. De norm IEC 60335-2-40, die onder meer van toepassing is op verschillende warmtepompen, airconditioners en ontvochtigers, houdt rekening met A2L-koudemiddelen. Voor detectiesystemen voor ontvlambare koudemiddelen in toestellen die onder de IEC 60335-reeks vallen, stelt IEC TS 63542:2024 specifieke eisen vast.
Het zou echter onjuist zijn om daaruit af te leiden dat een detector automatisch verplicht is in elke installatie met een A2L-koudemiddel. De nodige maatregelen moeten worden bepaald op basis van het type apparatuur, het koudemiddel, de vulling, de installatieomgeving en de toepasselijke normen of regelgeving.
Precies daarom is een technische studie voor gasdetectie zo waardevol.
Doeltreffende gasdetectie draait om meer dan de keuze van een sensor
Een gasdetectiesysteem moet als één geheel worden bekeken.
Vooraleer een oplossing te kiezen, moeten verschillende elementen worden geanalyseerd: het gebruikte koudemiddel, mogelijke lekbronnen, de omgevingsomstandigheden, de geschikte detectietechnologie, de plaatsing van detectoren, de alarmdrempels en eventuele automatische aansturingen.
Op zijn website geeft DALEMANS aan technische en normatieve studies uit te voeren voor de integratie van gasdetectiesystemen, bestekken te analyseren, gassen en mogelijke lekbronnen te identificeren en klanten te begeleiden bij de keuze van geschikte apparatuur.
Een gasdetectiecentrale kan vervolgens worden gekoppeld aan verschillende veiligheidsvoorzieningen. De U•C2-centrale van DALEMANS, bedoeld voor toepassingen met koudemiddelgassen, kan afhankelijk van de configuratie bijvoorbeeld ventilatie, een sirene, een flitslicht of de uitschakeling van een koelgroep aansturen, of een signaal doorgeven aan een gebouwbeheersysteem.

Risico’s al bij het ontwerp voorzien in plaats van na de installatie bijsturen
De overgang naar nieuwe koudemiddelen raakt rechtstreeks aan fabrikanten van apparatuur, HVAC-installateurs, koeltechnici, studiebureaus, gebouwbeheerders en technisch verantwoordelijken.
Bij een nieuw project of de vervanging van bestaande apparatuur is het verstandig om tijdig de volgende vragen te stellen:
Welk koudemiddel wordt gebruikt? Tot welke veiligheidsklasse behoort het? Hoeveel koudemiddel is aanwezig? In welk type ruimte wordt de apparatuur geïnstalleerd? Welke normatieve eisen zijn van toepassing? Moet ventilatie of lekdetectie worden voorzien? Welke apparatuur moet bij een alarm worden aangestuurd? Hoe zal het detectiesysteem op lange termijn worden getest en onderhouden?
Deze aanpak maakt het mogelijk om veiligheid van bij het ontwerp in een project te integreren, in plaats van de installatie achteraf te moeten aanpassen.
DALEMANS ondersteunt professionals bij de analyse van bestekken, technische en normatieve studies en het bepalen van geschikte gasdetectieoplossingen voor HVAC-, koel- en industriële toepassingen.
Onderhoud blijft onmisbaar
Een detectie-installatie is pas echt nuttig als de goede werking op lange termijn wordt gewaarborgd.
Tijdens het onderhoud worden onder meer de detectoren, hun gevoeligheid, de alarmrelais en de bijbehorende aansturingen gecontroleerd. DALEMANS biedt onderhoudsdiensten aan voor gasdetectiesystemen die onder meer worden gebruikt in HVAC-toepassingen, laboratoria en de industrie.
A2L, F-gassen en EN 378: drie begrippen die u niet mag verwarren
Samengevat:
A2L is een veiligheidsclassificatie voor koudemiddelen op basis van hun toxiciteit en ontvlambaarheid.
De GWP geeft het aardopwarmingsvermogen van een koudemiddel weer en heeft dus betrekking op de klimaatimpact ervan.
De F-gassenverordening regelt op Europees niveau het gebruik en het op de markt brengen van verschillende gefluoreerde gassen en apparatuur die deze gassen bevat.
De norm EN 378 legt technische veiligheids- en milieueisen vast voor koelsystemen en warmtepompen.
Deze elementen vullen elkaar aan. Door de evolutie van koudemiddelen is het doel niet alleen om de GWP te verlagen: apparatuur moet ook worden ontworpen, geïnstalleerd, bewaakt en onderhouden met aandacht voor de eigenschappen van het gebruikte koudemiddel.
Voor DALEMANS, Europees specialist in gasdetectie, bevestigt deze ontwikkeling hoe belangrijk het is om gasdetectie en risicobeheersing vroeg genoeg mee te nemen in de technische uitwerking van een project.
FAQ – A2L-koudemiddelen, EN 378 en gasdetectie
Een A2L-koudemiddel behoort tot een veiligheidsklasse die wordt bepaald op basis van toxiciteit en ontvlambaarheid. De letter A staat voor een lagere toxiciteitsklasse, terwijl 2L een klasse van ontvlambare koudemiddelen met een beperkte vlamvoortplantingssnelheid aanduidt. Deze classificatie is vastgelegd in de norm ISO 817.
Ja. R32 en R1234yf zijn ingedeeld in klasse A2L. R32 wordt onder meer gebruikt in airconditioningsystemen en warmtepompen, terwijl R1234yf vooral wordt toegepast in autoairconditioning. Hun A2L-classificatie heeft betrekking op veiligheid en mag niet worden verward met hun GWP, die hun mogelijke bijdrage aan de opwarming van de aarde aangeeft.
De Europese F-gassenverordening (EU) 2024/573 versnelt de vermindering van HFK’s die op de Europese markt worden gebracht en voorziet in de geleidelijke afbouw van het quotasysteem tegen 2050. Deze ontwikkeling bevordert oplossingen met een lagere klimaatimpact, waaronder bepaalde A2L-koudemiddelen en natuurlijke koudemiddelen.
De EN 378-reeks stelt veiligheids- en milieueisen vast voor koelsystemen en warmtepompen. Deel 3 gaat onder meer over de installatieplaats en de bescherming van personen. De wijziging EN 378-3:2016+A1:2020 heeft expliciet eisen voor koudemiddelen van klasse 2L opgenomen.
Het gebruik van een A2L-koudemiddel betekent op zich niet dat een detector altijd verplicht is. De veiligheidsmaatregelen hangen onder meer af van de apparatuur, de installatie en de toepasselijke normen. Voor bepaalde toepassingen voorzien technische normen in koudemiddeldetectiesystemen als een van de middelen om de risico’s van ontvlambare koudemiddelen te beheersen.